A-Merken

Onze selectie bestaat enkel uit A-merken met een sterk en lang verleden in de audioscene. Wij hebben gekozen voor de merken: Audison, Hertz, Phoenix Gold, Rainbow Audio, Gladen Audio, German Maestro, Ground Zero, Rockford Fosgate, Pioneer, Kenwood & MTX Audio.
Met deze top selectie kunnen we op ieders wensen inspelen.

In de navigatiebar aan de rechter zijde van de website kunt u het gewenste speaker merk selecteren.
Zo gaat u naar de officiële merk site van het desbetreffende merk.

Voertuig specifieke Audio systemen

De Bredase Autoshop kan naast een heel ruim universeel audio gamma ook voertuig specifieke oplossingen leveren.

Deze Audio (b.v. speakersets, woofers,) worden door verschillende bekende audio merken specifiek gemaakt voor een desbetreffende auto.
En passen dus perfect en hebben dus vaak geen aanpassingen aan de originele opzet nodig.

Deze sets zijn voor heel wat merken te krijgen zoals Audi, BMW, Citroén, Mercedes, Peugeot, Renault, Skoda, Volkswagen en nog vele andere.

Vul hiernaast uw gegevens in en wij nemen zo spoedig mogelijk contact met u op om de mogelijkheden te bespreken.

Bijvoorbeeld Volkswagen

Bijvoorbeeld golf


Speakers


Dat speakers er in alle soorten en maten zijn hoeven we niemand meer uit te leggen. Wie heeft niet eens meegemaakt dat hij een mooie set speakers op het oog had om er vervolgens achter te komen dat het niet in je auto past. Of dat de vermogens weer niet lekker overeen komen met de versterker dat al een plekje in je koffer heeft veroverd. Een goede voorlichting is dan ook van essentieel belang. Wij proberen vast een voorzichtig begin daarmee te maken.
 
Er gaat echter niets boven de specialist. Al is het alleen maar om te luisteren. We zien op ons forum namelijk vaak de vraag “Welke speaker kan ik het beste nemen?” Dat is ongeveer hetzelfde als aan een wildvreemde vragen welk ijsje je moet nemen. Hij zal misschien met zijn persoonlijke voorkeur komen maar daar ben jij misschien wel allergisch voor. De keuze voor een speaker is al net zo persoonlijk. De klank van iedere speaker is namelijk aanmerkelijk anders en het is zeer van je eigen smaak afhankelijk of dat je bevalt of niet. Het advies is dan ook altijd “Ga luisteren”. Op die manier kun je namelijk hetzelfde nummer, via dezelfde radio en versterker, op verschillende speakers beluisteren.
 
Er zijn diverse soorten speakers die allemaal hun eigen kenmerken hebben. Daarnaast zijn ze ook niet allemaal even geschikt voor bepaalde doeleinden. We gaan de belangrijkste soorten even kort behandelen.
 
Dual Cone
De meest basic vorm van speakers is de dual cone speaker. Deze speaker vind je tegenwoordig nog steeds veel in auto’s als standaard uitrusting. Dit heeft met name te maken met de lage productiekosten van zo’n speaker. Er zit namelijk geen losse tweeter voor de hoge tonen op een dual cone speaker. Een dual cone speaker beschikt, zoals de naam al zegt, over twee conussen. De eerste conus is wat de meeste kennen als het membraan wat de bas produceert. De tweede conus is een soort trechtertje op de grote conus. Die ‘trechter’ produceert de hoge tonen door de vibratie van het materiaal.
De lage prijs geeft natuurlijk al aan dat je van dit soort speakers geen wonderen hoeft te verwachten. In de praktijk blijkt dat deze speakers het meest verkocht worden als vervanging van een af-fabriek luidspreker die de geest heeft gegeven. Wie op zoek is naar een aanmerkelijke verbetering in het geluid kan beter even verder lezen.
 
Coaxiaal
Coaxiale speakers zijn speakers die uit slechts 1 component bestaan. Daarbij komen dus de lage, midden- en hoge tonen allemaal uit 1 speaker. Het verschil met een dual cone luidspreker is dat in een coaxiale speaker wel een echt tweetertje zit, en vaak ook een kleine middentoner. Dit soort speakers worden vaak als twee- of drieweg speakers aangeduid. Dit is over het algemeen de meest goedkope speakersoort en wordt het meest gebruikt als simpele vervanging van het OEM materiaal. Mensen die voor weinig geld een iets beter geluid willen, kunnen prima voor een coaxiale speaker kiezen. Zeker bij de wat lichtere speakers krijg je dan niet te maken met een ingewikkelde installatie en kun je ook prima zonder versterker uit de voeten. Afhankelijk van hoe goed het fabrieksmateriaal is, kun je hiermee een redelijke verbetering bereiken. Omdat het zo laagdrempelig is kiezen fabrikanten er dan ook massaal voor om coaxiale speakers in allerlei soorten en maten in het assortiment op te nemen. Er is verschrikkelijk veel variatie in diameter, inbouwdiepte en wattages. Er is dan ook vrijwel altijd een coaxiale speaker te vinden die in je auto past. De coaxiale speaker komt overigens in twee vormen voor, namelijk rond en ovaal. De ronde speakers kunnen zowel voor als achter worden toegepast waar de ovale speakers meestal achterin zijn geplaatst. Er wordt wel eens beweerd dat dit komt doordat ovale speakers minder mooi klinken dan ronde en dus voorin voor kwaliteit wordt gekozen. Daar zit je zelf immers het meest. De meest voorkomende ronde speakermaten zijn 10, 13 en 16,5 centimeter al bestaan er nog een aantal buiten dat bereik. Bij ovale speakers is de 6x9 inch verreweg het meest gebruikt, al zijn er bijvoorbeeld ook 5x7 inch en 8X6 inch.
 
Component
Wie een eurootje meer te besteden heeft en bijvoorbeeld met versterkers gaat werken, kan beter voor een component set gaan. Niet alle onderdelen hoeven in één behuizing te worden gepropt en dus blijft er letterlijk ruimte over voor kwaliteit. Zo heb je in een composet minimaal een low- en midrange speaker (apart of in één), een filter en een tweeter voor de hoge tonen. Het filter is bij de goedkopere sets vaak een inline filter, een klein filtertje wat in de kabel richting tweeter zit verwerkt. De speaker zelf speelt dan meestal fullrange, oftewel het hele toongebied. Bij de duurdere sets krijg je te maken met losse filters die ook in formaat aardig toenemen. Een goed filter van een high-end composet kan formaten bereiken van een pakje sigaretten tot wel het formaat van een boterhamtrommel. Houdt daar dus rekening mee wanneer je over plaatsing gaat nadenken. Ook de losse tweeter zorgt er vaak voor dat je zelf een plaatsje moet zoeken daarvoor. Er zijn wel auto’s waar af-fabriek al een uitsparing voor een tweeter is voorzien, maar in de meeste auto’s ontbreekt die nog. Bovendien is het nog maar de vraag of de uitsparing groot genoeg is voor een aftermarket tweeter. De fabrieksversie is namelijk vaak een klein ding. En dan hebben we het nog niet eens over de plaatsing. Want ook die standaard plek is lang niet ideaal. Maar daarover in een later artikel meer. Wie dus streeft naar een flinke verbetering in geluid, kiest voor een een goede composet, sluit die aan op een versterker en vervangt gelijk ook de standaard bekabeling.
 
Pasvorm
Het is vaak nog niet zo makkelijk om in je auto de speakers te vervangen. Er worden door auto fabrikanten namelijk legio maten en soorten gebruikt. Simpelweg op de gok een nieuwe speaker kopen en denken dat die toch wel zal passen, is dan ook niet het beste idee. Op het internet zijn tal van lijsten te vinden waarop je kan terugvinden welke maat speaker er in je auto past. Soms komt daar echter een pasring bij kijken. Auto fabrikanten willen namelijk nogal eens een eigen pasring om een speaker smelten waardoor die niet te gebruiken is voor bijvoorbeeld een normale 16,5 cm speaker. Bij je dealer kun je dan in veel gevallen terecht voor een soort adapter. Dat is een plastic vorm die een standaard 13 of 16,5/17 cm gat bevat voor een normale speaker, maar qua contouren precies aansluit op de montagepunten die af-fabriek in de auto zijn voorzien. Een dergelijke ring kost meestal tussen de € 10,- en € 25,-. Maar houdt niet alleen rekening met de diameter maar zeker ook met de inbouwdiepte. Het zou immers zonde zijn als je een mooie speakerset hebt gekocht, ingebouwd en er dan achter komt dat je raam nog maar half naar beneden kan.
Een ander nadeel wat je vaak tegenkomt in auto’s waar nog een standaard set-up is voorzien, is de bekabeling. Zeker bij auto’s van Duitse makelij zie je nogal eens lege plaatsen waar een speaker kan worden gemonteerd. Bijvoorbeeld in de zijpanelen achterin. De kans is echter groot dat als er geen speaker in zit, er ook geen kabels zijn getrokken. En als je dat bij de dealer moet laten doen komt er al gauw een uurtje of twee arbeidsloon bij het totaalplaatje.
  
Enkele veel voorkomende afkortingen en begrippen

  • Watt max: het zogenaamde piekvermogen van een speaker, eigenlijk niet interessant
  • Watt RMS: ookwel continu vermogen genoemd, daarop baseer je hoe zwaar de versterker moet zijn
  • SPL: de zogeheten gevoeligheid, geeft in db aan hoe efficiënt de speaker is (bijv. 88 dB / 1Watt /1meter). Hoe hoger, hoe luider de speaker klinkt op het aangegeven wattage
  • Frequentie: geeft het toonbereik aan van de speaker, hoe lager hoe voelbaarder (bijvoorbeeld 20 - 20000 Hertz)
  • Inch: speakerdiameter 6,5 inch = 17 of 16,5 cm / 5 inch = 13 cm / 4 inch = 10 cm
  • Cross-Over: het scheidingsfilter in een component set, wat zorgt voor de opdeling van de tonen naar hoog, mid en laag
  • Swivel mount: houdertje voor een tweeter waarin deze enige bewegingsvrijheid heeft om te richten
  • Impedantie: geeft de weerstand van de speaker aan (meestal 4 Ohm)
  • Tweeter: produceerd hoge tonen binnen een frequentiebereik van 3500 - 20000Hz
  • Mid woofer: Produceerd mid tonen binnen een frequentiebereik van 300 - 3500Hz
  • Kickbass woofer: Produceerd slag bass tonen binnen een frequentiebereik van 80 - 300Hz
  • Subwoofer: Produceerd de laagste tonen binnen een frequentiebereik van 20 - 80Hz

Subwoofers 

De subwoofer staat hoog op het verlanglijstje bij wie een goede install wil. Je kunt je er heel eenvoudig vanaf maken om een beetje bas in je auto te krijgen. Wie het goed wil doen zal echter snel merken dat er veel meer bij komt kijken dan je in eerste instantie zou denken. De makkelijke manier is namelijk een actieve subwoofer, die sluit je aan en klaar. Wat meestal beter is, is om met een passieve subwoofer aan de slag te gaan die dus een aparte versterker nodig heeft. En dan krijg je dus te maken met impedanties, behuizingen, soorten subwoofers en ga zo maar door. Ditmaal proberen wij enkele belangrijke onderdelen uit te lichten.
 
Passieve subwoofers
Passieve subs zijn het soort subwoofers die we allemaal wel kennen. Ze zijn los of met kist verkrijgbaar en voor iedereen is er wel een passende sub te vinden. Omdat het verreweg de meest voorkomende soort is, zullen we vanaf nu gewoon over subwoofers spreken en laten we het “passieve” weg. Een subwoofer heeft een of twee spreekspoelen, ookwel voicecoils genoemd. Dit wordt meestal aangeduid met de afkortingen SVC en DVC.Bij een enkelspoels subwoofer is de weerstand vast bepaald, meestal op 4 Ohm. Voor een dubbelspoels subwoofer is de impedantie ook per spoel vastgesteld, op bijvoorbeeld 4 of 2 Ohm. Maar doordat je beide spoelen apart kunt aansluiten kun je de impedantie zelf beïnvloeden door de spoelen in serie of parallel aan te sluiten.
 
Impedantie
In serie aansluiten wil zeggen de plus van de ene spoel doorlussen met de min van de andere spreekspoel. Dan heb je nog een min over op de ene spoel en een plus op de andere. Die twee sluit je aan op de plus en min van de versterker. Parallel aansluiten wil zeggen de plussen van beide spoelen op de plus van de versterker en de minnen van beide spoelen op de min van de versterker.
Wanneer je een dubbelspoels subwoofer in serie aansluit moet je de weerstanden van beide spoelen optellen. Dus wanneer je met een 2x 4 Ohm subwoofer speelt, werkt de versterker op 8 Ohm. Normaliter ga je echter nooit boven de 4 Ohm dus is het beter in dit geval de subwoofer parallel aan te sluiten. Immers hoe minder weerstand de versterker ondervind, hoe fijner die werkt.
Wanneer je een dubbelspoels subwoofer parralel aansluit werkt de versterker op de helft van de weerstand van 1 spoel. Dus wanneer je met een 2x 4 Ohm subwoofer speelt werkt de versterker op de helft van 4 Ohm, dus 2 Ohm. 
 
Actieve subwoofers
Naast de traditionele subwoofer heb je ook actieve subwoofers. Die kun je dus over het algemeen niet aansluiten zoals je zelf wilt. Een actieve subwoofer is namelijk direct aangesloten op een versterker die in dezelfde behuizing is ingebouwd. Door het compacte formaat heb je meestal te maken met een relatief kleine subwoofer en dito versterker. Daarom hebben actieve subwoofers meestal niet zo´n hoog RMS vermogen, tussen de 100 en 150 watt. Actieve subwoofers worden vaak gebruikt in toepassingen waar ruimtebesparing cruciaal is. Bijvoorbeeld om een subwoofer onder de stoel te kunnen passen omdat men geen kofferruimte wil opofferen. Enkele jaren geleden zag je dit soort toepassingen vaak in de vorm de zogenaamde basstubes, buisvormige actieve subwoofers. Die waren echter nog steeds relatief groot en dus niet populair als ruimtebesparend alternatief op een kistje met losse versterker. Onlangs hadden we in ons magazine een nieuwsitem over de platte actieve subwoofer van Pioneer, de TS-WX77A. Dat was een brede kist van nog geen 10 cm hoog met krasbestendige anti-slip laag waardoor het in de kofferbak gelegd kon worden en tegelijk als laadvloer kon dienen. Zulke innovatieve toepassingen zullen naar ons idee eerder de toekomst hebben.
 
Bekisting
Er zijn globaal drie soorten kisten waar je een passieve subwoofer in kunt monteren; een gesloten kist, een gepoorte kist en een bandpass kist.
Een gesloten kist is, zoals de naam al doet vermoeden, compleet gesloten. Eigenlijk zou de kist na montage van de subwoofer zelfs luchtdicht moeten zijn. Dit is de behuizing die je het eenvoudigst zelf kunt maken. Van de drie soorten behuizingen is de juiste inhoud voor een gesloten kist het minst van belang. Over het algemeen kun je stellen dat een gesloten behuizing meestal de meest strakke bas geeft. Daardoor leent deze toepassing zich bij uitstek voor sound quality toepassingen en mensen die graag muziek spelen met een snelle bas.
Ben je meer van de R&B of van harde, diepe bas? Dan is wellicht de gepoorte behuizing meer geschikt. Die levert over het algemeen 3 dB meer op dan een soortgelijke gesloten behuizing. Voor het oor is dat een verdubbeling van het geluid. Bij het ontwerpen van een gepoorte behuizing is niet alleen het volume van de kist van belang, maar ook dat van de poort. Met andere woorden, de diepte en diameter van de poort maar ook de vorm en de plaatsing. Bij een aantal grote fabrikanten kun je van geschikte subwoofers een ontwerpschema opvragen of staan de vereiste afmetingen zelfs in het boekje van de subwoofer. Een gepoorte kist moet echter vrij nauwkeurig worden ontworpen want verkeerde afmetingen kunnen ertoe leiden dat je de subwoofer kapot speelt. Bovendien zijn gepoorte behuizingen meestal grote kisten. Bezint dus eer ge begint.
Tenslotte is er dan nog de bandpass kist welke moeilijker zelf te bouwen is maar door fabrikanten regelmatig wordt gebruikt vanwege de hoge opbrengst. De subwoofer zit hierbij in een gesloten of gepoorte kist met aan de voorzijde nog een gepoorte kist. De subwoofer zit dus niet alleen in een behuizing maar speelt als het ware ook nog eens in een gepoorte behuizing. Je herkent dit soort kisten meestal aan de plexiglazen voorste gepoorte kist waardoor je de subwoofer kunt zien zitten.
 
Free Air
Het is ook mogelijk om een subwoofer zonder echte kist te laten spelen. Echter leent een normale subwoofer zich niet zozeer voor deze toepassing. Er zijn echte free air woofers verkrijgbaar die gemaakt zijn om zonder echte behuizing te spelen. Meestal monteer je deze bijvoorbeeld in de hoedenplank en fungeert de kofferbak als het ware als een hele grote kist. Hoewel niet iedereen het ermee eens zal zijn is het breed geaccepteerd dat dit geen geschikte oplossing is voor de liefhebbers van geluidskwaliteit en evenmin voor liefhebbers van SPL, oftewel luide diepe bas. Het is meer bedoeld als een noodgreep wanneer er geen ruimte is voor een reguliere montage.
 
Conclusie
Er is voor iedere auto wel een geschikte oplossing te vinden om toch het geluid net wat voller te krijgen dan normaal het geval is. Met andere woorden, op ieder potje past een subwoofer. Uiteraard heeft iedere behuizing en soort subwoofer zijn eigen kenmerken en dus voor- en nadelen. Het is dus belangrijk dat je eerst voor jezelf op een rijtje zet wat je wilt bereiken met een subwoofer en wat voor soort muziek je veelal zult gaan luisteren. Het spreekt voor zich dat het daadwerkelijk gaan beluisteren bij een dealer een logische volgende en misschien laatste stap is.
 
Enkele veel voorkomende afkortingen en begrippen

  • Gevoeligheid: aantal dB’s wat de subwoofer bij 1 watt op 1 meter afstand produceert
  • SPL: Sound Pressure Level (zie “gevoeligheid”)
  • X-max: maximale lineaire uitslag. Een hoge uitslag duidt meestal op een woofer die meer geschikt is voor toepassingen waarbij luide bas wordt verlangd. Een korte uitslag hoort bij een “snelle” subwoofer die dus geschikt is voor muziek met bas op hoog tempo
  • Frequentiebereik: weergegeven in Hz waarbij de onderste (diepste) en bovenste (hoogste) grens wordt aangegeven. De meeste mensen horen geen tonen lager dan 20Hz.
  • Impedantie: weerstand van de subwoofer zoals in dit artikel is uitgelegd. Weergegeven inOhm.
  • SVC: Single Voice Coil, enkele spreekspoel
  • DVC: Dual Voice Coil, dubbele spreekspoel.

Versterkers

Bijna iedereen die serieus zijn of haar audio installatie wil gaan upgraden zal onherroepelijk in aanraking komen met versterkers. Het is echter veel complexer dan simpelweg een keuze maken tussen een mono versterker, twee-kanaals of meer-kanaals versterker. In de wereld van de versterkers zijn er namelijk legio termen en kenmerken die worden gebruikt. Dat begint vaak al op de doos.
 
Vermogens
Net als met speakers staan er vaak hoge vermogens op de doos van een versterker. Hier geldt eigenlijk hetzelfde verhaal als bij de speakers; let alleen op RMS vermogen. Oftewel het vermogen wat de versterker continu kan leveren. Piekvermogens zeggen weinig en verschillen vaak flink van het continu vermogen. Meestal ligt het piekvermogen twee tot drie keer hoger dan het continu vermogen. Het RMS vermogen is de enige eerlijke manier van vergelijken tussen verschillende versterkers. Bovendien is dat het vermogen wat uiteindelijk naar de speaker gaat.
Een handig controle middel voor de opgegeven vermogens is om te kijken naar hoe zwaar de versterker is afgezekerd. Daarvoor kun je de volgende formule gebruiken: watt / voltage = amperage. Stel een fabrikant geeft 500 watt bij 14,4V op. Dat zou dus betekenen dat 500 / 14,4 = 34,7 ampère. Als diezelfde versterker een zekering heeft van 25 ampère, weet je dus dat het opgegeven vermogen niet klopt of in ieder geval niet benut kan worden doordat de zekering het voortijdig zal begeven.
 
Werking
De werking van een versterker is behoorlijk complex te noemen en eigenlijk alleen volledig te begrijpen met de nodige kennis van electronica. We proberen de basis zo eenvoudig mogelijk uit te leggen.
Muziek wordt als wisselspanning naar de versterker gestuurd door de signaalkabels. Die wisselspanning zou je kunnen weergeven als een golf, ookwel sinuskromme genoemd. De afbeelding laat duidelijk zien dat er een midden-as is, de nullijn. De “golf” bevindt zich afwisselend boven en onder die nullijn. Je hebt dus een bovenste helft en een onderste helft. Daar gaan we dadelijk verder mee. Eerst de versterking. De sinusgolf moet door een transistor worden geleid waar het signaal wordt versterkt met behulp van de stroom uit de accu. Een transistor bestaat voornamelijk uit halfgeleiders; materialen die slecht geleiden maar zijn “vervuild” met beetjes geleidend materiaal. Hoe dit proces precies in zijn werk gaat zou te ingewikkeld en uitvoerig worden voor de beperkte ruimte die we hier hebben.
Slechts in weinig gevallen gaat het volledige signaal door één transistor. Hoe dat precies loopt, bepaalt de klasse van de versterker en dus hoe efficiënt de versterker is.
 
Klassen
Een versterker die het volledige sinussignaal door één transistor stuurt wordt een A-klasse versterker genoemd. De transistor heeft dus altijd veel werk, ook bij lage volumes. Omdat het volledige signaal ononderbroken door hetzelfde element gaat, is de geluidskwaliteit bijzonder goed. Een klasse A versterker is echter niet efficiënt, mede doordat de transistor altijd werkt en dus altijd stroom verbruikt. Ongeveer 90% van de energie wordt omgezet in warmte en slechts 10% in versterking.
Een klasse B versterker deelt het signaal op in de bovenste en onderste helft van de sinuskromme. Iedere helft wordt versterkt door een eigen transistor. Daardoor krijgen de beide transistors om de beurt even rust en hoeven ze ieder maar half zo hard te werken. Veel efficiënter dus en dat merk je doordat 70 tot 80% van de energie wordt omgezet in versterking en slechts 20-30% in warmte.
Doordat een B-klasse versterker efficiënter is kan deze ook meer vermogen leveren dan een A-klasse versterker. Het nadeel is echter dat het bijzonder moeilijk is om beide transistoren exact gelijk te maken met behulp van halfgeleiders. Een klein verschil in geleiding zorgt ook voor een klein verschil in het versterkte signaal. Kwalitatief is het signaal dus minder goed dan bij een A-klasse versterker. Bovendien verlies je ook nog wat aan geluidskwaliteit doordat de beide helften weer bij elkaar gevoegd moeten worden na de versterking. Een transistor kent namelijk geen harde stop nadat de helft van een sinusgolf is versterkt. Hij gaat nog heel even zachtjes door, zullen we maar zeggen, tot het afsterft. Dat kleine beetje signaal komt dus wel bij de andere helft terecht die vanuit de andere transistor komt. Ook dat zorgt weer voor een minder goede geluidskwaliteit.
Het beste van beide werelden wordt dan ook een klasse AB versterker genoemd. Er zijn echter ook fabrikanten die een klasse B doodleuk een klasse AB noemen. Dit omdat de klasse B geen goede naam heeft maar de problemen van die klasse steeds verder teruggebracht zijn tot nauwelijks hoorbare minpunten. Een klasse AB werkt op het principe dat bij lage volumes het signaal deels door beide transistoren gaat en dus veel vloeiender weer bij elkaar kan komen. Enkel de toppen en dalen van de golf gaan apart naar een transistor.
De werking van een klasse D versterker is misschien nog wel de meest complexe. De chip in de versterker zet het signaal om in een digitaal signaal, enen en nullen zullen we maar zeggen. Net zoals de headunit die enen en nullen omzet in een analoog signaal wat door de RCA kabel wordt gestuurd, maar dan juist andersom. Die enen en nullen zorgen ervoor dat de voeding en eindtrappen constant aan- en uitgeschakeld worden zodat ze ‘in rust’ volledig uit staan en dus geen stroom verbruiken. Om die reden kunnen klasse D versterkers relatief veel vermogen leveren zonder te overhitten. Daarom worden de klasse D versterkers vaak als monoblok versterkers voor een subwoofer gebruikt.
 
Gain
De “gain” is als het ware de volumeknop van je versterker. Met deze potmeter bepaal je hoeveel het signaal moet worden versterkt. De gain kun je het beste instellen door die helemaal dicht te draaien en vervolgens de radio op de hardste stand te zetten. Vervolgens ga je langzaam de gain verder open draaien tot de subwoofer of versterker begint te vervormen. Op dat moment draai je de gain iets verder terug tot het punt dat de subwoofer of speaker niet meer vervormt. Op die manier kun je de speaker dus nooit kapot spelen doordat die zou gaan vervormen.
Ook verdient het aanbeveling om de gain nooit verder dan zo’n 75% open te zetten. Daarboven moet de versterker eigenlijk te hard werken en gaat dat vaak ten koste van de geluidskwaliteit. Heb je dus meer dan 75% gain nodig om de subwoofer of speaker net niet te laten vervormen, dan heb je dus eigenlijk een te lichte versterker.
 
Enkele veel voorkomende afkortingen en begrippen:

  • Remote: de remote is een dunne stroomkabel die meestal vanaf de radio komt. Deze zorgt ervoor dat de versterker pas ingeschakeld wordt wanneer de radio aangaat
  • Phase control: hiermee pas je de zogenaamde fase aan. Mocht de subwoofer onverhoopt verkeerd zijn aangesloten (min op plus en plus op min) dan kun je dat hiermee omdraaien. Soms kan het ‘spelen’ met de fase een beter geluid opleveren.
  • Bas-remote: een klein kastje voor de gain dat met een soort ISDN kabel op de versterker is aangesloten. Hierdoor kun je de gain voor in de auto aanpassen zonder bij de versterker te komen. Zet wel de gain op de versterker zo’n 75% open.
  • Filter: Meestal aangegeven met High-Pass (HPF) en Low-Pass (LPF) filter. Hiermee bepaal je voor het desbetreffende kanaal tot hoeveel Hertz het signaal moet worden verwerkt. Voor een subwoofer is dat bijvoorbeeld gemiddeld maximaal 80 Hz.
  • High Level Input: de aansluitingen waarop je een speakerkabel kunt aansluiten. Die zorgt dan voor de levering van het signaal in plaats van een RCA kabel op de Low Level input. De voorkeur moet echter altijd naar de Low Level Input (RCA) gaan.